Ridder Raf wil graag stoer zijn, maar hij is bang voor bijna alles, vooral voor spinnen. Op een dag krijgt hij van een oude tovenaar een onzichtbaar schild dat hem zogenaamd onverslaanbaar maakt. Pas wanneer hij het kwijtraakt, ontdekt Raf waar echte moed vandaan komt.
Het verhaal
Hoofdstuk 1: De Bangste Ridder van het Rijk
In het koninkrijk Goudvallei woonde een kleine ridder met een groot probleem: hij was bang. Zijn naam was Ridder Raf, en hoewel hij een glanzend harnas droeg, bibberde hij bij elk geluidje.
Wanneer de andere ridders zwaarden oefenden, stond Raf liever aan de kant. Als er iemand “AANVALLEN!” riep, dook hij achter een hooibaal. En als hij een spin zag, zelfs een kleintje, klom hij gillend op een stoel.
“Raf,” zuchtte ridder Bas, zijn vriend, “je kunt niet eeuwig bang blijven. Ridders moeten dapper zijn!”
“Dat weet ik,” piepte Raf. “Maar mijn knieën trillen altijd sneller dan mijn zwaard zwaait.”
’s Nachts droomde Raf dat hij een echte held was. In zijn dromen redde hij prinsessen, versloeg draken en werd toegejuicht door het hele dorp. Maar als hij ’s ochtends wakker werd, voelde hij zich weer klein en bang.
Hoofdstuk 2: De Oude Tovenaar
Op een frisse ochtend kreeg koning Arend bezoek van een vreemde man in een lange paarse mantel. De man leunde op een kromme staf en had een baard zo wit als sneeuw.
“Ik ben Tovenaar Morin,” zei hij met een krakende stem. “Ik breng nieuws van groot belang. Een draak is gezien bij de Zwarte Bergen!”
De ridders in de zaal begonnen te fluisteren. Een draak! Dat was al jaren niet meer voorgekomen.
“Wie durft de draak te verslaan?” vroeg de koning.
Iedereen keek naar elkaar, maar niemand zei iets. Tot ieders verbazing stak Raf zijn hand op, weliswaar trillend.
“Ik… ik zal het doen,” zei hij met een piepstem.
De hele zaal barstte in lachen uit.
“Raf? De draak verslaan?” bulderde ridder Bas. “Je rent nog weg voor een kikkertje!”
Raf bloosde, maar Tovenaar Morin keek hem aan met glinsterende ogen.
“Misschien,” zei hij langzaam, “is moed soms onzichtbaar.”
Hij haalde iets uit zijn zak: het leek niets, alleen een flikkering in de lucht.
“Dit, Ridder Raf, is een onzichtbaar schild. Draag het, en geen enkel kwaad zal je raken.”
Raf voelde een tinteling over zijn armen toen hij het schild aannam.
“Maar… ik zie het niet,” zei hij.
“Dat is juist de kracht,” glimlachte Morin. “Geloof erin, en het zal je beschermen.”
Hoofdstuk 3: Op Pad naar de Zwarte Bergen
De volgende ochtend vertrok Raf op zijn paard, Ster, met het onzichtbare schild om zijn arm. De wind floot zacht en het gras glinsterde van de dauw.
Onderweg dacht Raf aan de woorden van de tovenaar.
“Geen enkel kwaad zal me raken,” fluisterde hij tegen zichzelf. “Dan hoef ik nergens bang voor te zijn!”
Zijn hart voelde plots groter. Hij groette iedereen die hij tegenkwam, zelfs een oude vrouw met een kromme rug en een mand vol kikkers.
“Wat een dappere ridder,” zei ze glimlachend.
Raf voelde zich trots.
Maar toen de zon zakte, begon het te donkeren in het bos. De bomen leken te fluisteren. Opeens hoorde hij een gesis vlak bij zijn oor.
“S-s-slang!” gilde hij, maar toen hij zich herinnerde dat hij onverslaanbaar was, bleef hij staan. De slang kronkelde voorbij zonder hem iets te doen.
Raf grijnsde breed.
“Zie je wel, schild! Jij beschermt me!” riep hij.
Langzaam groeide zijn vertrouwen. Hij stak een rivier over, trotseerde een harde wind, en zelfs toen een nachtuil vlak naast hem krijste, bleef hij dapper in het zadel.
Hoofdstuk 4: De Donkere Grot
Na drie dagen bereikte Raf de voet van de Zwarte Bergen. Bovenaan zag hij rook en vonken uit een donkere grot komen.
“Daar zit de draak,” fluisterde hij.
Hij stapte af en pakte zijn zwaard. Zijn knieën trilden, maar hij probeerde diep te ademen.
“Je hebt het onzichtbare schild, Raf,” zei hij tegen zichzelf. “Je kunt dit.”
Voorzichtig liep hij de grot in. Binnen was het warm en donker. De lucht rook naar zwavel.
Plotseling hoorde hij een diepe grom. Twee enorme ogen lichtten op in het donker.
De draak!
Hij was gigantisch, met schubben zo zwart als kolen en een staart die als een zweep sloeg.
“Wie durft mijn slaap te verstoren?” donderde de draak.
“Ik… ik ben Ridder Raf, en ik kom om u te verslaan!” zei Raf met trillende stem.
De draak lachte. “Verslaan? Jij? Je beeft als een blad!”
Hij blies een straal vuur, maar het vuur week opzij, het onzichtbare schild hield het tegen!
Raf keek verbaasd naar zijn armen. “Het werkt! Het werkt echt!” riep hij.
Hij sprong naar voren, zwaaide zijn zwaard en raakte de draak licht op de staart. De draak brulde van woede en sloeg met zijn klauw. Weer werd Raf niet geraakt.
Hij begon te lachen. “Ik ben onverslaanbaar!” riep hij trots.
Maar toen, ineens, voelde hij iets geks. Zijn arm tintelde, en het onzichtbare schild… verdween.
Hoofdstuk 5: Zonder Schild
Raf keek verschrikt naar zijn lege hand. “Nee! Waar is het gebleven?”
Hij voelde zijn hart sneller kloppen. De draak kwam dichterbij, met ogen als vurige kolen.
“Nu ben je niet zo stoer meer, hè?” gromde de draak.
Raf wilde vluchten, maar toen hoorde hij in zijn hoofd de stem van Tovenaar Morin:
“Moed is soms onzichtbaar…”
Hij slikte. Zijn handen trilden, maar hij zette zijn voeten stevig neer.
“Ik… ik ben misschien klein, maar ik ben niet bang meer!” riep hij.
De draak hield even stil. “Niet bang?”
Raf hief zijn zwaard. “Nee. Want echte moed komt niet van een schild, maar van hier.” Hij tikte op zijn borst.
De draak keek hem verbaasd aan. Toen snoof hij, blies nog één keer vuur, maar niet op Raf. Hij draaide zich om en vloog de grot uit, de hemel in.
Raf stond daar, met kloppend hart en roet op zijn gezicht. Hij had de draak niet verslagen met kracht, maar met moed.
Hoofdstuk 6: Een Held Zonder Schild
Toen Raf terugkeerde naar het kasteel, stonden de poorten wijd open. De mensen juichten.
“Leve Ridder Raf, de draakverdrijver!” riepen ze.
Ridder Bas rende op hem af. “Raf! Je leeft nog! Hoe heb je dat gedaan?”
Raf glimlachte. “Zonder schild,” zei hij eenvoudig.
Die avond vierde het koninkrijk feest. De koning sloeg hem tot ridder van de ware moed.
En ergens, hoog in de bergen, keek Tovenaar Morin glimlachend naar de sterren.
“Hij heeft het begrepen,” fluisterde hij.
Sindsdien was Raf niet meer bang voor spinnen, noch voor donkere bossen. Hij wist dat moed niet iets is dat je kunt dragen — het leeft in je hart, zelfs als niemand het kan zien.
En elke keer als hij een kleine ridder zag die bang was, legde hij zijn hand op diens schouder en zei:
“Moed is soms onzichtbaar, maar je kunt het altijd voelen.”