Tom heeft een losse tand, maar durft hem er niet uit te trekken. Dan ontmoet hij een tijdreizende tandarts die hem meeneemt naar verschillende tijden om te zien hoe kinderen vroeger tanden wisselden. Uiteindelijk leert Tom dat moed soms komt met een glimlach.
Het verhaal
Hoofdstuk 1 – De losse tand
Tom zat aan de keukentafel en wiebelde met zijn tong tegen zijn voortand. De tand stond scheef als een wankele paal in de wind. “Au,” zei hij zacht. Niet omdat het pijn deed, maar omdat hij het spannend vond. Mama keek op. “Nog steeds los?” vroeg ze. Tom knikte. “Ik durf niet te trekken,” fluisterde hij. Hij stelde zich voor hoe de tand zomaar uit zijn mond zou springen. Hij zag een druppel bloed. Hij zag zijn eigen verbaasde gezicht in de spiegel. Brr.
“Vanmiddag ga je toch naar de tandarts,” zei mama. “Dat komt vast goed.” Tom zuchtte. Hij had geen zin. Tandartsen waren oké, maar ze hadden glimmende instrumenten en felle lampen. En je moest je mond heel lang openhouden. Tom hield er niet van om zo bekeken te worden.
Onderweg naar de praktijk drukte hij zijn lippen op elkaar. “Als ik mijn mond niet open, kunnen ze er niet bij,” dacht hij. Maar tegelijk wilde hij ook weten hoe het verder moest. Zou hij ooit durven? De wind rook naar regen. Tom stak zijn hand in mama’s hand. Zij kneep zacht. “Een losse tand is een teken,” zei ze. “Je wordt groter.”
Tom wilde best groter worden. Maar niet vandaag. Vandaag wilde hij gewoon Tom zijn, met alle tanden nog netjes op een rij.
Hoofdstuk 2 – De wachtkamer met de klok
De wachtkamer was stil. Er stond een grote plant die leek op een groene fontein. Aan de muur hing een klok met rare wijzers. Ze draaiden niet rond, maar dansten heen en weer. “Bijzonder,” mompelde mama. “Kunst.” Tom staarde. De wijzers knipten met kleine lampjes, alsof ze hem groetten.
“Tom?” riep een vriendelijke stem. Een man met een snor en een glanzend witte jas stond in de deuropening. Zijn ogen glinsterden alsof hij net een grap had bedacht. “Ik ben Dokter Krono,” zei hij. “Tandarts én… een beetje tijdreiziger.”
Tom keek op. “Tijdreiziger?” Dokter Krono knikte en tikte tegen de rare klok. “Heb je weleens willen zien hoe kinderen vroeger hun tanden wisselden?” vroeg hij. Tom haalde zijn schouders op. “Ik durf mijn tand er niet uit te trekken,” zei hij. “Misschien is het makkelijker als je weet dat iedereen het doet,” zei Dokter Krono. “Altijd al. Overal ter wereld. Wil je het zien?”
Mama trok haar wenkbrauw op. “Is dat veilig?” vroeg ze. Dokter Krono lachte. “Absoluut. We kijken alleen. En we komen terug voor de poetscontrole.” Hij knipoogde. Mama keek Tom aan. Tom keek naar de dansende klok. Zijn losse tand tingelde bij elke ademteug. “Oké,” zei hij dapper.
Dokter Krono drukte op een knop onder de balie. De klok zong zacht. Het licht in de kamer werd warm als de zon. De plant leek te wuiven. “Vast gordel,” zei de tandarts. Er klikte iets, maar Tom zag geen gordel. Hij voelde alleen een zachte druk, alsof een veilige deken hem omhulde. Toen blies een windje langs zijn wangen, en de wachtkamer loste op als schuim.
Hoofdstuk 3 – Romeinse glimlach
Ze stonden op een stoffige straat met keien. Mensen droegen sandalen en tunieken. Er klonk gelach en het geluid van een markt. “Welkom in het oude Rome,” zei Dokter Krono. “Ongeveer tweeduizend jaar geleden.”
Een jongen rende voorbij. Hij had een gat in zijn glimlach. “Caius!” riep een vrouw. “Laat me zien.” Ze keek in zijn mond en klapte in haar handen. “Je wisselt!” Ze haalde een klein zakje tevoorschijn en stopte de tand erin. “Voor geluk,” zei ze.
Tom staarde. “Doen ze dat echt?” vroeg hij. Dokter Krono knikte. “In veel oude culturen bewaarden mensen tanden. Als amulet. Soms dachten ze dat het geluk bracht, of dat het je sterker maakte.” Tom dacht aan zijn scheve tand. “Was het eng?” riep hij naar de jongen. Caius haalde zijn schouders op. “Een beetje,” zei hij in een taal die Tom toch begreep. “Ik wiebelde hem veel. Toen plopte hij eruit als een pit uit een druif.” Hij lachte breed.
“Wij poetsen met takjes,” zei de vrouw trots. “En met poeders.” Dokter Krono fluisterde: “Ze kenden geen fluoride, maar ze deden hun best.” Tom knikte plechtig. “Ik poets twee minuten,” zei hij. “Met een timer.” “Knap,” zei Dokter Krono. De klok op zijn pols knipperde. “Volgende halte?”
Tom keek nog één keer naar de markt. De zon scheen fel. De lucht rook naar olijfolie en brood. “Ja,” zei hij. “Verder.”
Hoofdstuk 4 – Noordenwind en een tand voor Freyja
De wereld draaide. Ze stonden op een houten steiger bij een fjord. De lucht was helder en koud. Een schip met een drakenkop lag te wiegen. “Vikingtijd,” zei Dokter Krono. “Noordelijk, ruw, maar met warme harten.”
Een meisje met blonde vlechten kwam aanrennen. “Mijn tand!” riep ze. Ze hield een witte tand als een parel in haar hand. “Vader zegt dat we hem begraven. Dan vindt een dierenspir-it hem en beschermt mijn nieuwe tand.” Ze sprak met een zangerig accent, maar Tom begreep haar woorden.
“Bij sommige noordelijke volkeren bestond de traditie van een ‘tandcadeau’,” zei Dokter Krono zacht. “En ja, verhalen over een tandfee of een tandmuis ontstonden later in verschillende landen.” Tom fronste. “Een muis?” “In sommige plaatsen,” zei Dokter Krono. “De muis is klein maar dapper, met sterke tanden. Een goed voorbeeld.”
Het meisje knielde en maakte een kuiltje in de grond. Ze legde de tand erin en bedekte hem met mos. “Groei, nieuwe tand,” fluisterde zij. “Wees stevig als een rots.” Tom voelde zijn eigen tand weer wiebelen. Hij drukte hem voorzichtig naar voren en terug. “Het is niet zo eng als je iemand ziet lachen zonder tand,” dacht hij. Het meisje lachte naar hem. Haar glimlach had een klein gat. Toch zag ze er blij uit. “Kom je ook mee brood eten?” vroeg ze. “We moeten alweer door,” zei Dokter Krono vriendelijk. “Maar bedankt voor je moed.”
Tom stak zijn hand op. “Dag!” riep hij. De noordenwind blies door zijn haar, koel en schoon. Even voelde hij zich licht, alsof hij in een verhaal rondzwierf dat altijd doorging.
Hoofdstuk 5 – Daken en dromen
Weer draaide de wereld. Deze keer stonden ze op een plat dak. De zon ging onder en kleurde de hemel oranje en roze. In de verte kakelden kippen. Een jongen gooide iets in een hoge boog. Het tinkelde en viel op een ander dak. “Mijn tand!” riep hij trots. “Voor de vogels. Neem hem mee, breng me een sterke!”
“Op sommige plekken,” zei Dokter Krono, “gooien kinderen hun tand op het dak of in de zon. Ze vragen een dier, de zon of de maan om een nieuwe, sterke tand te geven.” Tom keek omhoog. De lucht was zacht als perzik. Hij dacht aan zijn eigen tand. Eerst leek hij groot. Nu voelde hij klein. Klein en gewoon, zoals een pitje in een appel.
Een meisje naast de jongen fluisterde: “Ik vraag de maan om een rechte tand.” Ze sloot haar ogen en glimlachte. Tom merkte dat zijn schouders ontspanden. Het beeld van bloed verdween. Het werd vervangen door een zaal vol glimlachen, oud en nieuw, dichtbij en ver weg. “Iedereen verliest tanden,” besefte hij. “Iedereen krijgt er nieuwe voor terug.”
Dokter Krono gaf hem een klein, glanzend doosje. “Een tandendoosje,” zei hij. “Als je straks zover bent. Maar we zijn nog niet klaar met reizen.”
Tom stopte het doosje in zijn jaszak. Hij voelde zich alsof hij een geheim droeg. Een zacht, goed geheim dat alleen glimlachen kon openen.
Hoofdstuk 6 – De werkplaats van de meester-goudsmid
Ze belandden in een drukke straat met veel stof en hamerslagen. Vonkjes sprongen op als vuurvliegjes. In een werkplaats zat een goudsmid gebogen over een klein voorwerp. “Oude technieken,” fluisterde Dokter Krono. “Mensen deden van alles met tanden: sieraden, talismannen, soms zelfs kunsttanden van bijzondere materialen.”
Tom keek met grote ogen. “Doet dat geen pijn?” vroeg hij. “Niet als de tand al los is,” zei de goudsmid zonder op te kijken. “En echte behandelingen… die doen we liever zachtjes.” Zijn handen bewogen rustig. Hij zette een piepklein kapje op een voorbeeldtand. “Tandverzorging is steeds beter geworden,” zei Dokter Krono. “Nu weten we meer. Poetsen met fluoride. Niet te veel suiker. Regelmatig naar de tandarts. En als een tand los zit, laat je tong en vingers het rustige werk doen.”
Tom slikte. “Dus… ik hoef er niet hard aan te trekken?” “Nee,” zei Dokter Krono. “Je mag wiebelen met schone handen. Voorzichtig. De wortel lost vanzelf op. Dat heet wisselen.” Tom herhaalde het woord in zijn hoofd. Wisselen. Alsof zijn mond een garderobe was, en de melkgebit-tanden hun jassen aan de nieuwe sterke tanden doorgaven.
De goudsmid keek op en glimlachte. “Een tand is een verhaal,” zei hij. “Hij vertelt hoe je hebt gelachen, geknabbeld en geleerd.” Tom glimlachte terug. Zijn losse tand tikte zacht tegen zijn lip.
Hoofdstuk 7 – De les van de glimlach
De klok op Dokter Krono’s pols begon sneller te knipperen. “Nog één sprong,” zei hij. “Naar bijna-nu.” Ze stonden opeens in een moderne klas. Op het bord stond: Tanden Wisselen – Wat gebeurt er? Een juf met krullen wees naar een tekening van een mond. “Dit is je melkgebit,” legde ze uit. “Ongeveer twintig tanden. Als je groter wordt, komen je blijvende tanden. Die zijn sterker en groter. Je kaak groeit mee.”
“En het bloed?” floepte Tom eruit. Iedereen keek om. De juf glimlachte vriendelijk. “Soms zie je een piepklein beetje bloed,” zei ze. “Dat is normaal. Er zitten heel kleine bloedvaatjes in je tandvlees. Je drukt even met een schoon gaasje, en klaar.” Ze hield een pakje gaas omhoog. “Belangrijk is: houd alles schoon. Poets ’s ochtends en ’s avonds twee minuten. En gebruik je glimlach als je bang bent.”
“Mijn glimlach?” vroeg Tom. “Jazeker,” zei de juf. “Als je glimlacht, ontspant je lichaam. Je ademt rustiger. Je hersenen denken: ‘Hee, er is niets ergs aan de hand.’ Dan voel je meer moed.” Tom probeerde het. Hij trok zijn mondhoeken op. Eerst een beetje stijf. Maar toen zag hij een jongen met een spleetje tussen zijn tanden. De jongen stak zijn duim op. Tom glimlachte breder. Zijn schouders zakten. Zijn buik voelde warm. Het werkte echt.
“En als je twijfelt,” vervolgde de juf, “praat je met je tandarts. Die helpt je. Samen kom je er.” Dokter Krono knikte alsof hij werd genoemd. “Zullen we terug?” vroeg hij zacht. Tom knikte. Maar hij hield de glimlach vast. Het was als een anker in een rustige haven.
Hoofdstuk 8 – Het moment van wiebelen
De wachtkamer rolde terug als een film. De plant stond er weer. De dansende klok tikte vrolijk. Mama zat op een stoel met een tijdschrift. “Daar zijn jullie,” zei ze, alsof ze even had geknipperd. “Hoe ging het?” Tom wilde alles vertellen. Over Romeins brood, een Vikingmeisje, een dak bij zonsondergang, een goudsmid en een juf. Maar het voelde als een geheim dat je niet in één keer kon zeggen. “Goed,” zei hij. “Heel leerzaam.”
“Zullen we kijken?” vroeg Dokter Krono. Tom ging in de stoel liggen. Het licht werd helder, maar niet te fel. Een liedje speelde zacht. Niets klonk eng. “Doe je mond maar open,” zei de tandarts vriendelijk. Tom ademde rustig in. Hij dacht aan de juf. Hij glimlachte een klein beetje. Toen deed hij zijn mond open als een oester die de zee vertrouwt.
“Ah,” zei Dokter Krono. “Een dappere wiebeltand.” Hij raakte niets aan. Hij keek alleen en wees met een spiegeltje. “Zie je het randje?” vroeg hij. Tom knikte. “Je mag hem zelf voelen. Met schone vingers.” Tom waste snel zijn handen bij de wastafel. Hij ging terug zitten. Met zijn duim en wijsvinger pakte hij de tand heel zacht vast. Hij duwde voorzichtig naar links. Het deed geen pijn. Hij duwde naar rechts. De tand wiebelde als een melkboor op een zachte bodem.
“Je hoeft niet nu,” zei Dokter Krono. “Je bepaalt zelf.” Tom dacht aan Caius. Aan het Vikingmeisje. Aan de kinderen op het dak en in de klas. Hij dacht aan zijn eigen glimlach. Hij voelde hoe zijn hart klopte. Niet snel. Gewoon stevig. Als een trom die zegt: jij kan dit. Hij duwde nog een beetje. Plop.
De tand lag in zijn hand als een klein wit schelpje. Tom staarde. Er kwam een stipje rood. Dokter Krono gaf hem een gaasje. Tom drukte het tegen de plek. “Zo,” zei de tandarts. “Adem rustig. Tel tot tien.” Tom telde. Bij tien haalde hij het gaasje weg. Het was al gestopt. “Dat was… helemaal niet eng,” zei hij verbaasd.
Mama klapte zacht. “Wat ben ik trots,” zei ze. “Kijk je tandendoosje,” fluisterde Dokter Krono. Tom haalde het glanzende doosje uit zijn zak. Hij legde de tand erin. Het klikte dicht met een tevreden geluidje. Als een klein boek dat zijn bladzijde had omgeslagen.
Hoofdstuk 9 – De glimlach die terugkeerde
Tom sprong van de stoel en bekeek zichzelf in de spiegel. In het midden van zijn mond zat nu een schattig gat. Het zag er vreemd uit. Maar niet raar. Eerder stoer. “Ik lijk op een piraat,” grapte hij. Mama lachte. “Een piraat met goede poetstips,” zei ze. “Wat heb je vandaag geleerd?”
Tom dacht even na. “Dat tanden wisselen bij iedereen gebeurt,” zei hij. “Dat er veel manieren zijn om het te vieren. Dat je niet hard hoeft te trekken. Dat een beetje bloed niet erg is. Dat je met een gaasje kunt drukken. En…” Hij keek naar zijn spiegelbeeld. “Dat moed soms begint met een glimlach.”
Dokter Krono knikte. “En vergeet de rest niet,” zei hij. “Twee keer per dag twee minuten poetsen. Een zachte borstel. Niet te veel zoete drankjes. En als je twijfelt, vraag je het.” Hij gaf Tom een sticker van een lachende klok. “Voor je verzameling.”
De klok aan de muur tikte nog steeds op haar vreemde manier. Tom vroeg zich af of hij ooit weer mee mocht reizen. “Dat hangt van je glimlach af,” zei Dokter Krono geheimzinnig. “Glimlachen zijn sleutels. Ze openen deuren. En soms… tijd.”
Tom stak de sticker in zijn jaszak, naast het tandendoosje. Zijn zak voelde zwaar van kleine, grote dingen: een tand, een sticker, en een les. Hij stapte naar de deur. De lucht buiten rook fris, alsof de wereld net gepoetst was.
Hoofdstuk 10 – Het kleine feest
Thuis organiseerde mama een mini-feestje. Er was yoghurt met fruit. Er was een rietje waar Tom veilig door kon drinken. “Geen harde dingen vandaag,” zei mama. “Morgen mag je weer knapperen.” Tom knikte. Hij voelde met zijn tong aan het gat. Het voelde gek en nieuw, zoals een lege plek waar iets moois zal groeien.
Ze maakten een foto van zijn dapperste glimlach. Tom keek naar de foto. Hij zag het gat, het gaasje dat hij even later had weggegooid, en zijn ogen die straalden. Hij zag ook iets anders: een stukje van alle kinderen die hij had ontmoet. Een Romeinse jongen met een zakje. Een Vikingmeisje met mos aan haar vingers. Een jongen op een dak bij zonsondergang. Een juf met een tekening van een mond. En in de verte, heel klein, een klok die licht gaf.
“Mag het doosje naast mijn bed?” vroeg hij. “Natuurlijk,” zei mama. “En je weet: sommige kinderen wachten op een muis of een fee.” Tom grinnikte. “Ik wacht op mijn nieuwe tand,” zei hij. “Die heeft tijd nodig, maar hij komt.” Hij dacht aan de goudsmid: een tand is een verhaal. Zijn verhaal ging verder. Dat was zeker.
Die avond poetste Tom extra zorgvuldig. Twee minuten. Cirkelbewegingen. Buitenkant, binnenkant, kauwvlakken. Hij spoelde, glimlachte naar zichzelf en kroop in bed. Het doosje lag op zijn nachtkastje als een klein maansteentje. “Dank je,” fluisterde hij, al wist hij niet precies tegen wie. Misschien tegen Dokter Krono. Misschien tegen alle kinderen die ooit een tand hadden losgelaten.
Zijn ogen werden zwaar. Net voor hij in slaap viel, dacht hij iets te horen: het zachte tikken van een dansende klok. Het klonk als een belofte.
Hoofdstuk 11 – De volgende ochtend
De zon viel als een warme deken door de gordijnen. Tom rekte zich uit en gaapte. In de spiegel zag hij nog steeds het gat. Hij stak zijn duim op naar zichzelf. “Goed gedaan,” zei hij zacht. Mama kwam binnen met twee bekers. “Water en melk,” zei ze. “Voor sterke tanden.” Tom dronk en voelde zich groot. Niet omdat hij een tand had verloren, maar omdat hij iets had geleerd.
Op weg naar school liep hij een klein beetje sneller. Op het plein renden kinderen met rugzakken. “Hé, Tom!” riep Sam. “Wat is er met je tand?” Tom grijnsde breed. “Wissel!” zei hij. Sam floot bewonderend. “Stoer!” Anderen kwamen kijken. “Deed het pijn?” vroeg Noor. Tom schudde zijn hoofd. “Bijna niet. En ik had een gaasje.” Noor knikte. “Mijn kleine zusje is bang,” zei ze. “Zal ik zeggen dat lachen helpt?” Tom lachte. “Zeker. Lachen is een sleutel.”
Hij voelde het doosje in zijn jaszak. Het maakte geen geluid. Toch wist hij dat het verhaal erin zachtjes bewoog. Als een blad dat omdraait, als een deur die opengaat, als een klok die danst.
Dokter Krono was nergens te zien. Maar misschien stond hij wel achter een hoek, of in een straal zonlicht, of in een glimlach die verder werd gegeven. Tom wist het niet. Hij wist alleen dat hij nu durfde. Niet omdat hij geen angst meer had, maar omdat hij had geleerd hoe je met angst omgaat: met kennis, met adem, met een gaasje… en met een glimlach.
Die dag in de klas maakte Tom een tekening van een klok met dansende wijzers. Ernaast tekende hij een tandendoosje, een Romeins zakje, een Vikingmosje en een dak in de ondergaande zon. Bovenaan schreef hij: Moed groeit mee. De juf hing de tekening op het prikbord. “Prachtig,” zei ze. “En leerzaam.”
Tom keek naar zijn werk en voelde een warme gloed. Hij wist dat er nog meer tanden zouden wisselen. Dat er weer kleine plopjes zouden klinken. En dat dat allemaal hoorde bij groter worden. Misschien zou hij later aan zijn eigen kind vertellen hoe dat ging, met verhalen over vroeger en nu. En misschien, heel misschien, zou ergens een klok dan weer even dansen.