Mila woont in een dorp waar het nooit regent. Op een dag ontdekt ze een touwtje dat vastzit aan een wolk. Wanneer ze eraan trekt, komt de wolk omlaag en blijkt ze met wolken te kunnen praten! Maar als de wolken boos worden en niet meer willen drijven, moet Mila een manier vinden om de lucht weer blij te maken.
Het verhaal
Hoofdstuk 1: Het dorp zonder regen
In het kleine dorpje Zonneschijn woonde Mila met haar moeder. Het was er altijd warm, altijd zonnig en altijd droog. De bloemen in de tuinen begonnen te hangen, de rivier was veranderd in een smalle strook glinsterend zand, en zelfs de kippen keken sloom naar de lucht, alsof ze vroegen: “Waar blijft de regen?”
Mila hield van de zon, maar ze miste de geur van nat gras en het geluid van druppels op het dak. Haar oma had haar vroeger verteld over regen, hoe het tiktiktikte op de ramen en hoe de aarde dan weer begon te glanzen. Maar Mila had het nog nooit zelf gezien.
Elke avond keek ze naar de hemel. Er hingen wel wolken, maar ze bleven hoog en wit en stil. Ze leken te zweven zonder ooit iets los te laten. “Waarom komen jullie niet naar beneden?” fluisterde ze. Maar de wolken antwoordden niet.
Tot op een dag iets heel vreemds gebeurde.
Hoofdstuk 2: Het touwtje in de lucht
Mila was aan het spelen bij de oude eik buiten het dorp toen ze iets zag glinsteren tussen de takken. Ze kneep haar ogen samen. Er hing… een touwtje!
Een dun, zilverachtig draadje dat omhoog ging, helemaal omhoog, tot in de lucht.
Ze trok er zachtjes aan. Het voelde warm en een beetje zacht, alsof het gemaakt was van suikerspin.
“Hallo?” riep ze voorzichtig.
Tot haar verbazing hoorde ze een zachte stem boven haar hoofd.
“Au! Niet zo hard trekken!”
Mila sprong achteruit. “Wie zei dat?”
“Ik!” piepte de stem. En toen… zakte er een kleine, pluizige wolk naar beneden, net groot genoeg om op te zitten.
De wolk had een vriendelijk gezichtje, met ogen van dauwdruppels en een glimlach van licht.
“Ik heet Pluim,” zei de wolk, terwijl hij een klein buiginkje maakte.
Mila lachte verbaasd. “Ik wist niet dat wolken konden praten!”
“Dat weten mensen meestal niet,” grinnikte Pluim. “Maar jij hebt mijn touwtje gevonden, dus nu kunnen we praten.”
Hoofdstuk 3: Een geheim in de lucht
Mila en Pluim werden al snel vrienden. Ze praatten urenlang over de lucht, de wind en de sterren. Pluim vertelde dat er hoog boven de wereld een Wolkenkoningin woonde, die de wolken liet dansen, drijven en regenen.
“Maar de koningin is boos,” fluisterde Pluim op een dag. “De mensen op aarde zijn vergeten dankbaar te zijn. Ze roepen om zon, om warmte, om licht, maar nooit meer om regen. Dus blijven wij boven.”
Mila dacht even na. “Maar zonder regen droogt alles uit. De bloemen sterven, de rivier verdwijnt. Dat kan toch niet goed zijn?”
Pluim knikte treurig. “Nee, maar de koningin luistert alleen naar wie met haar hart praat.”
Mila voelde iets kriebelen in haar borst. Ze wist wat haar te doen stond.
Hoofdstuk 4: De reis naar de wolken
De volgende ochtend bond Mila het zilveren touwtje om haar pols. “Ik kom met je mee,” zei ze.
Pluim keek verbaasd. “Echt? Het is ver hoor! En het wordt koud, en nat, en hoog.”
“Dan neem ik mijn jas en mijn laarzen mee,” zei Mila dapper.
En zo steeg ze, met Pluim onder haar, langzaam op. Eerst zagen ze het dorp kleiner worden, toen de velden, toen alleen nog stipjes mensen beneden. De lucht werd blauw, dan lichtblauw, dan bijna wit.
Ze vlogen langs zwermen vogels, door strepen mist, en langs andere wolken die verbaasd naar hen keken.
“Wie is dat?” riepen sommigen.
“Een mensenkind,” antwoordde Pluim trots. “Ze komt vrede brengen!”
Na een lange klim zagen ze eindelijk het paleis van de Wolkenkoningin: een kasteel van zilverwitte nevel, met torens die glinsterden als ijspegels. Bliksems dansten rond de poorten, maar Mila voelde geen angst, alleen verwondering.
Hoofdstuk 5: De Wolkenkoningin
De troonzaal was gevuld met zacht gedreun van donder. Op een troon van wind zat de Wolkenkoningin. Haar jurk leek van regen te zijn gemaakt; druppels gleden langs haar armen en vormden weer patronen van licht.
“Wie durft mijn lucht binnen te treden?” donderde haar stem.
Mila boog diep. “Ik ben Mila, uit het dorp Zonneschijn. Wij hebben al jaren geen regen gehad. Alles droogt uit. Ik vraag niet om zon of warmte. Alleen om een beetje regen, om leven.”
De koningin keek haar aan met ogen als storm. “De mensen beneden hebben mij vergeten. Waarom zou ik luisteren naar één klein meisje?”
Mila slikte. “Omdat ik nog geloof dat wolken gelukkig kunnen zijn. Als ze niet hoeven te verstoppen. Als ze mogen huilen.”
De woorden kwamen recht uit haar hart, en toen ze uitgesproken waren, begon de troonzaal zacht te trillen. De wind ging liggen.
De koningin keek verrast. “Jij begrijpt wat velen vergeten zijn: regen is niet verdrietig, regen is vernieuwing.” Ze glimlachte voor het eerst. “Maar er is een probleem. De wolken zijn boos. Ze willen niet meer drijven. Kun jij ze temmen, klein meisje?”
Hoofdstuk 6: De wolken in opstand
Toen Mila en Pluim terugkeerden naar de lagere lucht, zagen ze dat de wolken zich verzameld hadden als een groot leger. Ze bromden, ze bliezen, en ze draaiden in woeste kringen.
“Wij regenen niet meer!” gromde een donkere wolk. “De mensen lachen als wij komen. Ze roepen dat we het feest bederven!”
“Ze noemen ons somber!” klaagde een ander.
“En lelijk!” huilde een derde.
Mila ging midden tussen hen staan, haar haren wapperend in de wind.
“Ik weet dat jullie gekwetst zijn,” riep ze. “Maar kijk eens naar beneden! De bomen hebben dorst. De kinderen hebben dorst. De aarde smeekt om jullie druppels!”
De wolken mompelden onderling. Eén van hen siste: “Waarom zouden we geloven dat ze nu wél dankbaar zijn?”
Mila dacht snel na. Toen haalde ze uit haar tas een klein, verdroogd bloemetje. “Dit is de laatste bloem uit mijn tuin,” zei ze zacht. “Ze wacht op jullie. En ik beloof dat ik nooit meer zal vergeten hoe mooi regen is.”
De wolken zwegen. Toen zakte de grootste van hen langzaam omlaag. “Misschien… kunnen we het nog één keer proberen,” bromde hij.
Hoofdstuk 7: De eerste regen
Pluim riep de wind en de andere wolken begonnen te draaien, zacht en ritmisch, als in een dans. Donder gromde vriendelijk in de verte, en toen — tiktaktiktak! — vielen de eerste druppels.
Mila lachte en stak haar handen uit. Het voelde koel, verfrissend, als een kus van de lucht.
Beneden in het dorp renden mensen naar buiten. Ze hielden hun gezichten omhoog, draaiden rond en lachten. De kippen kakelden vrolijk, de bloemen hieven hun kopjes, en de rivier begon weer te stromen.
De Wolkenkoningin verscheen even tussen de damp. “Je hebt goed gedaan, kleine Wolkentemmer. De lucht zal weer zingen, zolang de mensen luisteren.” Toen verdween ze in een glinstering van regenbooglicht.
Hoofdstuk 8: De lucht is weer blij
Sinds die dag regende het af en toe in Zonneschijn, precies genoeg. Soms zacht, soms speels, soms met een donderslag van vreugde. En altijd keek Mila omhoog met een glimlach.
Pluim kwam nog vaak langs om hallo te zeggen.
“Je hebt het goed gedaan,” zei hij op een dag. “De lucht is weer blij.”
Mila knikte. “Omdat jullie weer durven huilen.”
En telkens als er regen viel, wist iedereen in het dorp: dat was geen somberheid. Dat was liefde, die uit de hemel kwam.