Home » De Boomhut die Verdween
De Boomhut die Verdween

De Boomhut die Verdween

Op een ochtend is de grote boomhut van Floor en Kian zomaar verdwenen. Er ligt alleen nog een stapel bladeren en een oud boek. In hun zoektocht naar antwoorden ontdekken ze een parallel bosrijk rijk waar boomhutten tot leven komen.

Het verhaal

Hoofdstuk 1: De lege plek

Floor werd wakker van stilte. Het was de verkeerde soort stilte. Geen tikkende regen op het dakraam. Geen kraak van takken. Zelfs geen kraai die klaagde. Ze sprong uit bed, trok haar trui over haar pyjama en rende op sokken naar buiten. In de tuin stond de oude eik. Maar boven in de kruin was niets. Geen touwladder. Geen houten balkon. Geen trap van planken. Alleen een ronde plek waar een boomhut had moeten hangen. Alsof iemand het uit de lucht had geveegd.

Kian kwam achter haar aan, met zijn haar nog in de war. “Misschien is hij ingestort,” zei hij met slaperige stem. Hij schopte in een hoop bladeren aan de voet van de boom. Er stoof wat stof op. Toen hoorde hij een dof klonk en trok iets uit de bladeren. Het was een boek. Het had een leren kaft met een tak erin gegraveerd die leek te bewegen als je ernaar keek.

Floor legde het boek op het gras en streek haar vingers over de kaft. Het voelde warm. Alsof het had liggen zonnen, maar de zon was nog niet eens op. Kian keek om zich heen. “Waar zijn onze spijkers? Waar is mijn hamer? Alles is weg.” Zijn stem trilde. De boomhut was hun plek. Hun geheime club. Hun uitkijkpost.

Floor sloeg het boek open. Er zat zand tussen de bladzijden. Het rook naar hars en naar regen. Op de eerste pagina stond met donkere inkt: “Wie bouwt zonder te luisteren, verliest wat is gebouwd.” Kian fronste. “Wat bedoelt dat?” vroeg hij. Floor slikte. “Dat we te hard hebben gezaagd misschien. Of te veel hebben getimmerd. Of…” De woorden stierven in de lucht. Want onder de zin stond nog iets, in een kleiner, kriebelig handschrift: “Kom zoeken, als je durft.”

Hoofdstuk 2: Het boek fluistert

Binnen aan de keukentafel draaiden ze voorzichtig verder. Het papier was dik en had nerven als hout. Op een tekening stonden boomhutten met ramen als ogen en ladders als staarten. Ze stonden in een bos dat leek op hun eigen bos, maar toch anders. De bomen leken dichter bij elkaar te staan. De paden boogden als rivieren. In de volgende tekening zat een open plek. Boven die plek stond: “De Drempel.”

“Als er een drempel is, is er ook een deur,” zei Kian. Floor hoorde iets. Een zacht schuren, alsof iemand heel, heel ver weg een bladzijde omsloeg. De letters op de pagina trilden. Toen rolden ze langzaam uit elkaar en begonnen zich opnieuw te schikken. “Zoek de drie tekens,” las Floor hardop. “De Knoop, de Adem, het Oog. Vind ze voor het avondlicht. Of de deur sluit en niets meer hoort.”

Kian keek naar de klok. Het was nog vroeg. Maar het idee van een sluitende deur sneed door Floors maag. “Wat als het boek ons meeneemt?” fluisterde ze. Alsof het wachtte op die vraag, waaide de achterdeur open. Een streep wind blies de bladzijden om, tot het boek op een lege pagina stopte. Op het blad verscheen in snelle, rasperige lijnen een kaart. Hun tuin. Het hekje. Het pad naar het bos.

“Dit voelt niet goed,” mompelde Kian. Maar ondertussen had hij al zijn laarzen aangetrokken. Floor knikte. “We gaan samen. En we komen samen terug.” Ze pakte het boek vast. Het trilde in haar hand, als een hartslag. Toen stapten ze de tuin uit, het pad op, het bos in, achter de getekende route aan die leek te verschuiven als je niet keek.

Hoofdstuk 3: De Drempel

Het bos was stiller dan anders. De bladeren hingen zwaar. Geen vogel floot. Floor en Kian liepen tussen de stammen door tot ze op een open plek kwamen die ze niet kenden. Het gras was kort en glansde. In het midden lag een wortel, dik en gedraaid, als een reusachtige knoop. “De Knoop,” zei Floor. Ze boog voorover. De wortel pulseerde zacht. Als je heel goed luisterde, hoorde je een diepe brom.

Kian tikte ertegen met zijn knokkels. De wortel bewoog. Voor hun ogen ontvouwde hij zich, alsof iemand een streng touw losrolde. Er bleef een kring van aarde achter, rond en donker. Het rook naar regen die nog niet gevallen was. In de aarde kringelde mist. “Ik weet niet of dit slim is,” zei Kian. Toen kraakte het boek. De pagina’s sloegen open en dicht als een mond. “Luister eerst,” stond er.

Floor knielde naast de kring. “Wat moeten we horen?” fluisterde ze. Meteen vulde de lucht zich met fluisterstemmen. Ze waren geen taal, en toch begreep ze ze. Ze klonken als bladeren die elkaar vertellen hoe de wind is. Ze klonken als houten balken die zuchten na een lange dag. Tussen de fluisteringen door dook een scherper geluid op. Een kraai, maar anders. “Grroei of verdwijn,” kraste de stem. “Alles wat luistert, blijft. Alles wat hamert, gaat.”

Kian kneep in Floors hand. “Ik hamerde,” mompelde hij. “Maar ik luisterde ook. Soms.” Floor trok hem iets dichter naar zich toe. “We kunnen nu luisteren. Samen.” Ze sloten hun ogen en ademden de kou in. Dalen en stijgen, zoals de wind. De kring in de aarde werd dieper. De mist rook nu naar hars en nat hout. Toen voelde Floor iets onder haar vingers. Een gladde, koele steen met een teken erin: een cirkel die in en uit bewoog als een ademhaling.

De Adem. Ze wist het zonder te weten waarom. Ze tilde de steen op. Hij was verrassend licht. Het bos hield zijn adem in. De kring begon te draaien, langzaam, als schuivend zand. En daar, in het midden, scheurde de lucht. Niet met een knal. Eerder als stof dat je heel voorzichtig open trekt. Aan de andere kant zag ze bomen. Duizenden. En iets dat bewoog op hoogte. Balkons. Touwen. Daken van bladeren. Een hele wereld van boomhutten.

Hoofdstuk 4: Het Bos-naast-ons

Ze stapten door de opening. De grond was zacht als mos. De lucht had een andere kleur. Geen blauw. Geen grijs. Iets tussenin, als het moment net na zonsondergang. Het bos was voller. Elke stam droeg iets. Een ladder, een vlag, een luikje, een schommel. En overal, heel zacht, klonk gekraak en gefluister. De boomhutten praatten met elkaar. Het klonk als een markt, maar zonder koopwaar. Gesprekken van hout.

Een boomhut draaide langzaam zijn balkon naar hen toe. De railing had inkepingen die leken op glimlachjes. “Bezoekers,” zei een stem. Hij kwam uit de richting van de hut, maar ook uit de stam zelf. “Bezoekers, en met de Adem.” Floor hield de adem-steen stevig vast. “We zoeken onze boomhut,” zei ze. “Hij is verdwenen.” Kian voegde toe: “We hebben hem zelf gebouwd.”

De hut zweeg even. Je hoorde het werken in zijn balken, alsof hij dacht. “Wie bouwt zonder te luisteren, verliest wat is gebouwd,” zei hij toen. “Maar wie verliest, kan weer leren.” De hut boog zijn trap naar beneden, als een uitnodiging. “De Raad wacht.”

Ze klommen de trap op, die meebewoog onder hun voeten. Boven zagen ze een plein van touwen en planken, hoog tussen de stammen. Daar stonden boomhutten bij elkaar, elk anders. Een hut met glazen ruiten waar vissen in zwommen. Een hut die rook naar kaneel. Een hut vol kaarten van wolken. In het midden stond een lage, brede hut met een dak van schors. Die sprak als eerste.

“Kinderen van het Andere Bos,” zei de lage hut. “Jullie hebben de Drempel gevonden, de Knoop losgemaakt, en de Adem gedragen. Het laatste teken ontbreekt. Het Oog. Zonder het Oog kan niets recht worden gezien. Wie omtimmert zonder oog, timmert de stilte wakker.” Floor voelde haar wangen heet worden. “Wij… wij wilden alleen iets moois maken. Een plek voor ons tweeën.” Het plein zuchtte zacht, als wind door duizenden spleten.

“Mooi is luisteren,” klonk een nieuwe stem. Een kraai landde op de rand van een balkon. Zijn veren waren zo zwart dat ze blauw leken. Zijn ogen waren helder. Te helder. “Ik ben Driekeer,” kraste hij. “Drie keer kijken, één keer doen. Jullie deden andersom.”

Kian trok zijn schouders op. “Waar vinden we het Oog?” vroeg hij. De kraai tikte met zijn snavel tegen de adem-steen. “Wat je zoekt, kijkt ook terug,” zei hij. “Volg de wortels die uit de bomen lopen. Maar pas op voor de Stilte. Die houdt van hamers.”

Hoofdstuk 5: Labyrint van Wortels

Ze daalden het plein af en volgden de wortels die boven de grond kropen als slangen. De wortels vormden gangen, bochten en dode einden. Hoge bogen van hout hingen boven hun hoofden. Het rook naar natte aarde. Soms hoorde Floor achter zich voetstappen die geen voetstappen waren. Dan draaide ze zich om, en zag alleen een ladder die zacht slingerde, alsof iemand net was gepasseerd.

De wortels gingen dieper het bos in. De lucht werd kouder. Er viel fijn stof, dat leek op zaagsel en op sneeuw tegelijk. “De Stilte,” fluisterde Kian. Floor hoorde nog niets. Toen proefde ze het. Stilte heeft smaak. Zoals water zonder bubbels. Als een kamer waar je te lang geen muziek hebt aangezet. “Blijf praten,” zei ze. “Over iets. Maakt niet uit wat.” Kian knikte. “Weet je nog die eerste middag? Toen we dachten dat drie spijkers genoeg waren voor een hele plank?” Floor lachte, te hard. Het geluid sloeg tegen de wortelmuren en klonk vreemd terug.

Ze kwamen bij een plek waar de wortels in elkaar grepen als vingers. In het midden lag een rond gat. Geen ladder. Geen trap. Alleen dieper donker. De Adem-steen begon te gloeien. Het licht pulseerde langzaam. Langzaam genoeg om je eigen hart te horen. En daar, uit het gat, kroop iets naar boven. Het leek op rook. Maar het rook naar niets. Het was de Stilte. Hij gleed langs hun benen, langs hun armen, tot aan hun keel. Toen klemde hij zich vast en trok.

Floor hapte naar adem. Een geluidloos hapje. Geen lucht. Geen letter. Kian sloeg met zijn hand door de rook. Het hielp niet. Het gat leek groter te worden. Floor voelde haar gedachten dun worden, als papier dat te nat is. Ze kneep haar vingers om de steen. Warmte. Ritme. In. Uit. Ze dwong haar longen de maat te volgen. De Stilte trok, maar de adem trok terug.

“Zeg mijn naam,” hoorde ze, of dacht ze, of maakte ze zelf. Ze keek naar Kian. Zijn lippen vormden “Floor,” maar er kwam niets. Ze legde de steen op zijn borst. Zijn ribben bewogen. In. Uit. Een flard van geluid barstte open, net genoeg voor één woord. “Samen,” zei hij hees.

Samen. Het woord was een spijker die niet sloeg, maar vastmaakte. De Stilte schokte. Hij gleed een stukje terug. Floor pakte Kians hand. “Sá-men,” zei ze. Hun stemmen werden zwaarder. De Adem-steen gloeide feller. De Stilte bibberde en trok zich terug in het gat, alsof hij bang was voor de maat van twee harten die tegelijk bewogen. Toen, heel beneden, glinsterde iets. Een schijf, rond en glad, als water dat niets weerspiegelt.

Floor liet zich langs de wortelrand zakken, met Kian die haar vasthield. Ze reikte, vingers uitgestrekt. Net niet. “Nog één stukje,” zei Kian, en hij liet zich ook zakken, zijn gewicht tegen het hare. Hun armen werden langer door vertrouwen. Haar vingers raakten de schijf. Koud. Toen warm. Toen licht.

Ze trokken het voorwerp omhoog. Het was een schijf van hout met een glanzend midden. In het glanzende midden zag je niet jezelf, maar alles wat zich achter je bevond. Wie ernaast stond. Wat je niet had willen zien. Het was het Oog.

Hoofdstuk 6: De Raad van Hout

Met de Adem en het Oog keerden ze terug naar het touwenplein. De boomhutten zuchtten van opluchting, al klonk het nog steeds als krakende balken. De kraai Driekeer tikte met zijn snavel tegen de houten schijf. “Wat zien jullie?” vroeg hij. Floor hield het Oog voor zich. In het glanzende midden zag ze zichzelf en Kian, maar ook de eik in hun tuin. En in die eik zag ze een litteken. Daar waar ze te diepe spijkers hadden geslagen. Daar waar ze niet hadden geluisterd naar het kreunen van de tak.

“Het doet pijn,” fluisterde ze. Niet aan haar, maar aan de boom. Kian’s schouders zakten. “We hebben te snel gewerkt. We wilden groot. En hoog. En meteen.” Hij keek naar de Raad. “Hoe maken we het goed?”

De lage hut kraakte. “Luisteren heeft drie lagen. Eerst hoor je geluid. Dan hoor je betekenis. Dan hoor je verantwoordelijkheid.” Hij boog zijn dak, bijna als buigen. “Jullie hebben het eerste geleerd in de Drempel. Het tweede in het Labyrint. Het derde laat je handen leren.”

Driekeer spreidde zijn vleugels. “Breng de Adem naar jullie eik,” zei hij. “Leg het Oog op zijn litteken. Spreek geen beloftes die je niet kunt houden. Spreek één belofte die je elke dag kunt houden. Dan zal wat verdwenen is, kiezen. Het komt terug als jullie boomhut wil. Of het blijft hier, als ze dat liever heeft. Want boomhutten zijn ook wezens. Onthoud dat.”

Floor slikte. “Onze boomhut is een zij?” De markt van houten stemmen giechelde. Planken tikten zacht tegen elkaar. “Zeker,” zei de hut vol wolkenkaarten. “Zij heeft naar jullie geluisterd. Nu luistert zij naar ons. Ze heet ZevenSpin. Ze houdt van ladders met zeven treden en spinnen die eronder wonen.”

Kian lachte kort. “ZevenSpin,” herhaalde hij. “Dat past.” Floor voelde de naam in haar borst. Het was als een sleutel die precies klikt. “Mogen we haar zien?” vroeg ze. De Raad wiegde in stilte. “Jullie zullen haar voelen,” zei de lage hut. “Als je de grens over gaat. Ga nu. Het licht wordt dun.”

Hoofdstuk 7: De keuze van ZevenSpin

Ze renden terug naar de Drempel. De kring in de aarde draaide nog. De wereld kantelde heel even toen ze erdoor stapten, alsof je van een trede afstapt die er niet is. Aan de andere kant was hun eigen bos weer stil. Maar het was een andere stilte. Niet hol. Eerder vol. Alsof alle geluiden wachtten op het juiste moment.

Bij de eik legde Floor de Adem-steen in een holte tussen de wortels. De grond voelde meteen warmer. Ze haalde het Oog tevoorschijn. Het glanzende midden was nu donker, als een pupil in de nacht. Ze hield de schijf tegen het litteken in de bast. Daar waar de spijkers het hout hadden verwond. De schijf werd zwaar. Niet in haar handen, maar in de lucht. Hij trok hun aandacht. Hij trok hun woorden.

“Geen haast meer,” zei Floor. “Geen timmeren als het kraakt,” zei Kian. “Eerst kijken,” zei Floor. “Drie keer,” zei Kian. Driekeer kraaide hoog in een tak, al wisten ze niet of hij er echt zat of alleen in hun oren.

Toen gebeurde er iets dat zo klein begon dat je het bijna niet durfde geloven. Een touw zwiepte. Heel zacht. Een ander touw, dat er net niet was, was er nu wel. Er klonk een bekende klink, als van hun favoriete kistje. De lucht boven hen werd dikker. Niet van mist. Van aanwezigheid. Alsof iemand een kamer binnenliep die altijd al van hem was geweest.

De touwladder viel. Niet hard. Als een groet. Floor en Kian stapten achteruit. Ze konden wel juichen. Maar ze bleven stil en lieten de eik eerst zuchten. Toen kwamen woorden. Ze kwamen uit de balken, uit het dakje, uit de rand van het trapgat. “Ik heb geluisterd,” zei een stem. Warm en een beetje schor. Alsof die net wakker was. “Jullie ook?”

“Ja,” zeiden zij samen. “We hebben veel te leren,” voegde Kian eerlijk toe. “Mag dat hier?” vroeg Floor. “Mag dat zonder jou pijn te doen?” Ze legde haar hand op de bast, vlak bij het litteken. De Adem-steen pulseerde. Het Oog lag nog tegen het hout aan en werd langzaam lichter, alsof het genoeg had gezien.

ZevenSpin lachte in planken. “Ik kies,” zei ze. “Ik kies voor twee werelden. Ik zal hier hangen als jullie luisteren. En als jullie vergeten, zal ik teruggaan over de Drempel, want daar kan ik ademen zonder hamers.” Floor slikte. “Dat is eerlijk,” zei ze. “Mag ik dan iets beloven?” Ze keek naar Kian. Hij knikte. “Eén belofte,” herinnerde hij haar.

Floor dacht aan spijkers die te diep gaan. Aan een boom die kreunt en toch niets zegt omdat niemand luistert. “Ik beloof,” zei ze, “dat ik elke keer voordat ik iets vastmaak, eerst drie keer kijk. En als ik twijfel, vraag ik het. Aan jou. Aan Kian. Aan de wind.” Kian legde zijn hand bij de hare. “En ik beloof dat ik nooit meer harder zal timmeren dan mijn hart klopt. Als mijn hart zegt: wacht, dan wacht ik.”

De touwen spanden zich, comfortabel. Het dakje rilde, tevreden. “Dan ben ik thuis,” zei ZevenSpin. “Maar onthoud, thuis is luisteren.” Floor voelde iets warms langs haar wangen rollen. Geen tranen van verdriet. Eerder van te veel lucht in één keer. Ze lachte door haar open mond. “We hebben je gemist,” fluisterde ze. “Ik was er,” zei ZevenSpin. “Alleen even ergens anders.”

Ze klommen de touwladder op, langzaam, alsof elke trede een naam had. Boven rook het naar hun spullen. Naar het potje met krijtjes. Naar het oude touw dat ze van opa hadden gekregen. Naar koekjes die ooit waren gekruimeld en nooit helemaal waren opgeruimd. Maar er was iets nieuws. Een zacht, kloppend ritme in het hout. In. Uit. Alsof de hut ademde met hen mee.

“Wat is de les?” vroeg Kian zacht, terwijl hij op de rand ging zitten en zijn voeten liet bungelen. Floor keek naar het bos. Naar de eik. Naar het boek dat open lag op de vloer, op de pagina waar niets op stond. Toch las ze het. “Dat bouwen niet begint met hout,” zei ze langzaam. “Maar met luisteren. En met samen.”

Ze bleven nog lang zitten. Ze zeiden niet veel. De wind zei genoeg. Hij fluisterde langs de bladeren. Hij bewoog de touwladder een beetje. Hij streek langs de pagina’s van het boek. De woorden op de lege bladzijde begonnen te verschijnen, heel langzaam, alsof iemand met onzichtbare inkt schreef: “Wie luistert, bouwt iets dat blijft. Niet voor altijd. Maar lang genoeg om te leren.”

Die avond, toen de lucht oranje was, stapten ze naar beneden. Ze lieten de touwladder hangen, maar sloten het luik. Voorzichtig. Zonder knal. “Morgen,” zei Kian. “Kijken. Dan doen.” Floor knikte. “Drie keer,” zei ze. Ze legde de Adem-steen terug in de holte. Het Oog legde ze naast het litteken, onder een klein dakje dat ZevenSpin zelf leek te hebben geschoven. Het glansde nog even en werd toen weer gewoon hout.

Thuis aan tafel aten ze soep. Ze vertelden niets over de Drempel. Ze hoefden het niet. De soep smaakte anders. Meer naar bos. Minder naar haast. Later, toen Floor het licht uit deed, hoorde ze iets buiten. Niet de verkeerde stilte van vanmorgen. Een zachte, spelende stilte. Een stilte die ruimte maakte.

Onder haar kussen lag het boek. Ze opende het niet. Ze legde haar hand erop en voelde de trilling van een blad dat tevreden was om even dicht te blijven. “Slaap zacht, ZevenSpin,” fluisterde ze naar buiten. In de verte, of dichtbij, tikte een plank als antwoord.

back to top