Home » De Dappere Knuffelbeer
De Dappere Knuffelbeer

De Dappere Knuffelbeer

Wanneer een jongen zijn knuffelbeer vergeet in het park, komt de beer ’s nachts tot leven. Hij trotseert storm, vuilniswagens en hongerige katten om weer terug te keren naar zijn vriend. Onderweg ontdekt hij dat dapper zijn niet betekent dat je nooit bang bent.

Het verhaal

Hoofdstuk 1: De vergeten beer

Het was een zachte zomeravond in het park. De lucht kleurde langzaam oranje en roze, en de vogels zongen hun laatste lied. Sam zat op een bankje met zijn lievelingsknuffel in zijn armen. De knuffelbeer heette Bram. Bram had een bruin vachtje, een blauwe strik en één oor dat een beetje scheef stond.

Sam nam Bram overal mee naartoe. Naar de supermarkt, naar opa en oma, zelfs naar de dokter. Vandaag waren ze samen gaan spelen in het park. Ze hadden gerold in het gras, verstoppertje gespeeld achter de bomen en samen naar de wolken gekeken.

Mama riep dat het tijd was om naar huis te gaan. De zon zakte al laag en de lantaarns gingen aan. Sam sprong van het bankje en pakte snel zijn rugzak. Hij rende naar mama toe en greep haar hand vast.

Maar in zijn haast vergat hij één heel belangrijk ding. Bram.

De knuffelbeer lag nog steeds op het bankje. Helemaal alleen. Zijn blauwe strik lag een beetje scheef en een klein grassprietje zat vast aan zijn poot. Sam merkte het niet. Hij liep vrolijk met mama het park uit.

Langzaam werd het stiller. De kinderen gingen naar huis, de honden waren uitgewandeld en de vogels stopten met fluiten. Het bankje werd koud en de schaduwen werden langer. Bram lag stil en keek met zijn glazen oogjes naar de donker wordende lucht.

Als een knuffel had kunnen zuchten, dan had Bram dat nu gedaan. Hij miste de warme armen van Sam.

Hoofdstuk 2: Wakker in het donker

Die nacht scheen de maan rond en helder boven het park. Zilveren licht viel over het gras, over de bomen en over het verlaten bankje. Een zacht briesje streek langs de bladeren.

En toen gebeurde er iets bijzonders.

Het maanlicht raakte de glazen oogjes van Bram. Zijn neusje begon een beetje te tintelen. Zijn pootjes voelden ineens warm. Plotseling knipperde hij met zijn ogen. Hij haalde diep adem, zo diep als een knuffelbeer dat kan, en ging langzaam rechtop zitten.

Bram keek verbaasd om zich heen.

Waar is Sam, dacht hij. Waar is zijn hand. Waar is zijn lach.

Hij herinnerde zich hoe Sam hem stevig had vastgehouden op het bankje. Hoe ze naar de wolken hadden gekeken. Maar nu was het bankje leeg, op Bram na.

Bram voelde iets nieuws in zijn buik. Het was geen watten en geen stof. Het was een gevoel. Het leek een beetje op bang zijn en een beetje op dapper willen zijn.

Hij liet zich van het bankje glijden en plofte zacht in het gras.

Ik moet terug naar Sam, dacht Bram. Sam heeft mij nodig. En ik heb Sam nodig.

Hij keek naar de donkere ingang van het park. Verderop zag hij de lichten van de stad. Hij wist niet precies waar Sam woonde. Hij wist alleen dat hij altijd dezelfde weg ging. Langs de grote poort, langs de brug, door de straat met de winkeltjes en dan naar het pleintje met de fontein.

Dat moet ik nu ook doen, dacht Bram vastbesloten.

Zijn pootjes trilden een beetje, maar hij zette toch de eerste stap.

Hoofdstuk 3: De grote regenbui

Bram liep door het natte gras. Zijn pootjes werden vies en zijn vacht werd zwaarder. De bomen leken groter in het donker en hun takken zwaaiden langzaam heen en weer.

Plotseling voelde hij een koud druppeltje op zijn neus.

Pats.

Nog een druppel op zijn oor. En nog één op zijn rug.

Binnen een paar tellen begon het hard te regenen. Grote druppels vielen uit de lucht en spatten uiteen op het pad. Het gras werd modderig en glibberig. Bram was binnen de kortste tijd helemaal doorweekt. Zijn vacht plakte aan zijn lijf.

Hij bleef stokstijf staan.

Ik ben geen regenbeer, dacht hij. Ik hoor in een warm bed, naast Sam. In een deken. Met een nachtlichtje aan.

Een bliksemflits lichtte de lucht op, gevolgd door een harde donder. Bram kneep zijn ogen dicht. Als hij een hart had gehad, dan klopte het nu heel snel.

Ik ben bang, dacht hij. Heel bang.

Hij wilde zich het liefst oprollen onder het bankje en wachten tot de ochtend. Maar toen zag hij in zijn gedachten het gezicht van Sam. Sam die wakker zou worden, zijn armen om zich heen zou slaan en dan ineens zou merken dat Bram weg was.

Sam zou verdrietig zijn. Misschien zou hij zelfs huilen.

Bram haalde diep adem.

Dapper zijn betekent niet dat je nooit bang bent, fluisterde hij zacht tegen zichzelf. Dapper zijn betekent dat je toch iets doet, ook als je bang bent.

Hij keek naar de poort van het park en zette zijn pootjes weer in beweging. Eén stap, nog een stap, en nog een. De regen kletterde op zijn kop, maar hij liep door.

Hoofdstuk 4: Gevaar op de weg

Bij de uitgang van het park kwam Bram op het trottoir terecht. De stoepstenen waren nat en glommen in het licht van de straatlantaarns. Auto’s gleden voorbij met natte banden, en hun koplampen schenen fel in de regen.

Bram hoorde in de verte een diep gebrom. Het geluid werd snel harder. Hij draaide zich om en zag een grote vuilniswagen de straat in rijden. De wagen had felle lampen en grote wielen die door de plassen reden. Achter op de vrachtwagen hing een metalen bak waar vuilniszakken in werden gegooid.

De vuilniswagen stopte vlak bij een prullenbak naast de stoep.

Twee mannen sprongen eruit en trokken de zak uit de prullenbak. Terwijl ze bezig waren, zagen ze Bram niet die vlakbij in een plas stond.

Eén van de mannen keek vluchtig om zich heen.

Hé, een natte knuffel, zei hij. Die hoort vast in de vuilnisbak.

Voor Bram het wist, voelde hij een grote hand om zijn lijf. De man tilde hem op en hield hem boven de wagen.

Bram spartelde met zijn pootjes, maar hij was licht en zacht. De man merkte het bijna niet.

Niet in de vuilniswagen, dacht Bram wanhopig. Dan vindt Sam mij nooit meer terug.

Hij moest snel iets doen. Maar wat kan een kleine knuffelbeer nou doen tegen een grote menshand.

Toen hoorde hij een harde claxon van een auto die langsreed. De man schrok van het geluid, draaide zijn hoofd om en zijn greep werd een beetje losser.

Nu, dacht Bram.

Met alle kracht die hij had, kronkelde hij zich uit de hand van de man. Hij gleed tussen de vingers door en viel omlaag. Hij plofte in een plas, vlak naast de stoep.

Hé, riep de man. O, laat maar.

De vuilniswagen reed weer verder. Bram bleef liggen tot hij zeker wist dat de wagen weg was.

Hij was nat, koud en zijn vacht zat onder de modder. Maar hij was vrij.

Dapper zijn is niet hetzelfde als groot zijn, dacht hij. Soms is dapper zijn gewoon niet opgeven.

Hij stond weer op en liep verder.

Hoofdstuk 5: De katten in de steeg

De regen werd langzaam minder. De wolken gleden weg en de maan piepte weer tussen de daken door. Bram liep een smalle steeg in, omdat hij wist dat dit een kortere weg naar het pleintje was.

De steeg was donker en stil. Af en toe hoorde hij een druppel vallen van een dakrand. Hij zette zijn pootjes voorzichtig neer.

Plotseling hoorde hij een zacht geluid.

Miauw.

Uit een hoek van de steeg keken twee glanzende ogen naar hem. Toen nog twee. En nog twee.

Drie katten kwamen langzaam tevoorschijn. Een grijze, een zwarte en een oranje met witte vlekken. Ze slopen naar Bram toe, laag bij de grond, hun staarten wiebelend in de lucht.

Wat is dat, leek de grijze kat te denken. Geen muis. Geen vogel. Maar wel zacht.

De zwarte kat tikte met zijn pootje tegen Brams oor.

Au, zei Bram zacht.

De katten schrokken.

Hij praat, miauwde de oranje kat verbaasd.

Bram slikte. Hij voelde zich heel klein. De katten waren veel groter dan hij. Ze hadden scherpe nagels en snorharen die trilden.

Ik ben Bram, zei hij met trillende stem. Ik ben een knuffelbeer. Ik moet naar mijn vriend. Hij heet Sam. Hij is een jongen.

De katten keken elkaar aan.

Waarom ben je zo nat en vies, vroeg de grijze kat.

Omdat ik in de regen heb gelopen, zei Bram. En bijna in een vuilniswagen ben gegooid.

De zwarte kat liep een rondje om hem heen.

Ben je niet bang, vroeg hij.

Jawel, zei Bram eerlijk. Ik ben heel bang.

Waarom ga je dan toch verder, vroeg de oranje kat.

Omdat Sam straks wakker wordt, zei Bram. En dan zoekt hij naar mij. Als hij mij niet vindt, wordt hij verdrietig. Ik wil niet dat hij verdrietig is.

De katten werden stil.

De grijze kat ging zitten en keek Bram lang aan.

Dat is best dapper, zei hij uiteindelijk. Bang zijn en toch doorgaan.

De zwarte kat knikte.

Wij kunnen je niet opeten, miauwde hij. Jij bent geen eten. En je bent dapper.

De oranje kat glimlachte met haar kattenmond.

Kom, zei ze. We lopen een stukje met je mee. Niemand zal je lastigvallen als wij erbij zijn.

Zo liep Bram verder, met drie katten om hem heen. Ze liepen tot het einde van de steeg, waar de lantaarns weer schenen.

Hier red jij het zelf wel, zei de grijze kat.

Dank jullie wel, zei Bram zacht.

En hij voelde zich ineens een beetje minder bang.

Hoofdstuk 6: Weer samen

Na de steeg kwam Bram bij het pleintje met de fontein. Overdag spetterde hier water omhoog, maar nu was de fontein stil. De stenen glommen nog een beetje van de regen. Aan de overkant van het plein zag Bram een bekende boom.

Naast die boom lag vaak het huis van Sam.

Bram stak het pleintje over. Zijn pootjes deden pijn van het lopen. Zijn vacht was nog steeds nat en zwaar. Maar in zijn buik voelde hij nu niet alleen angst. Hij voelde ook iets warms. Blijdschap.

Hij keek omhoog naar de rij huizen. In één raam brandde een klein nachtlampje. Achter dat raam sliep Sam. Dat wist Bram gewoon. Hij voelde het.

Maar hoe moest hij binnen komen.

Hij liep langs de muur van het huis en zag een klein kelderraampje op een kier. Het stond net genoeg open voor een kleine knuffelbeer. Hij trok zich omhoog aan de rand. Het kostte veel moeite, maar na een paar pogingen gleed hij door het raampje naar binnen.

Hij belandde zacht op een mat. Het rook naar wasmiddel en een beetje naar stof. Hij strompelde door de gang en vond de trap naar boven.

Trede voor trede klom hij omhoog. Elke tree was hoog voor zijn kleine pootjes, maar hij gaf niet op.

Bovenaan de trap zag hij de slaapkamerdeur van Sam. De deur stond op een kiertje. Bram wrong zich erdoorheen en kwam in de donkere kamer.

Hij hoorde rustige ademhaling.

Voorzichtig liep hij naar het bed. Daar lag Sam, met zijn haar een beetje in de war en zijn handen op het kussen. Zijn wangen waren nog een beetje nat van tranen. Aan het voeteneinde lag een andere knuffel, maar die zag er minder geknuffeld uit dan Bram.

Bram voelde een steek van verdriet.

Heeft Sam mij nu al vergeten, vroeg hij zich af.

Alsof Sam iets voelde, draaide hij zich om in zijn slaap. Zijn hand zocht naast hem, waar Bram altijd lag. Zijn vingers gleden over het laken en vonden niets.

Sam fronste in zijn slaap en fluisterde.

Bram.

Bram klom langzaam op het bed. Hij kroop voorzichtig tegen Sam aan, precies op de plek waar hij altijd lag. Sam legde in zijn slaap zijn arm om de knuffelbeer heen en trok hem dicht tegen zich aan.

Een diepe zucht ontsnapte uit Sams mond. Zijn gezicht ontspande. Hij glimlachte in zijn slaap.

Bram voelde zich ineens heel licht. Het maakte niet meer uit dat zijn vacht nat was, dat hij modder aan zijn pootjes had en dat zijn strik scheef zat. Hij was weer waar hij hoorde.

Bij Sam.

Die ochtend, toen de zon door een kiertje in het gordijn naar binnen scheen, werd Sam langzaam wakker. Hij voelde iets zachts en nat tegen zijn wang.

Met slaperige ogen keek hij naar beneden.

Bram, riep hij verrast.

Hij ging rechtop zitten.

Mama, riep hij. Mama, Bram is terug.

Mama kwam de kamer in en keek verbaasd naar de vieze, natte knuffelbeer in zijn armen.

Waar heb je hem gevonden, vroeg ze.

In mijn bed, zei Sam. Hij lag hier net.

Mama glimlachte. Wat vreemd, zei ze. Jij had hem toch in het park laten liggen.

Sam knuffelde Bram stevig.

Misschien is hij zelf teruggekomen, zei hij zacht.

Mama lachte.

Dat zou wel een heel dappere knuffelbeer zijn, zei ze.

Sam streek met zijn hand langs Brams natte vacht.

Hij is ook dapper, fluisterde Sam. Hij is vast ook bang geweest. Maar hij is toch gekomen.

Sam keek naar Bram en het leek heel even alsof Bram terugkeek. Alsof zijn oogjes een klein beetje glansden in het ochtendlicht.

Sam legde zijn hoofd weer op het kussen, met Bram stevig tegen zich aan.

Weet je, Bram, fluisterde hij. Dapper zijn betekent niet dat je nooit bang bent. Dapper zijn betekent dat je toch iets doet, ook als je bang bent.

Als hij dat zei, voelde het in zijn eigen buik ook een beetje warm en sterk.

Misschien, dacht Sam, durf ik nu straks ook naar de tandarts. Of in het diepe bad. Of alleen naar de juf lopen als ik iets wil zeggen.

Hij gaf Bram een kus op zijn natte vacht.

Wij doen het samen, zei hij zacht. Jij en ik.

En Bram, de dappere knuffelbeer, lag stil en tevreden in de armen van zijn vriend. Als iemand heel goed had geluisterd, had die misschien een klein zuchtje gehoord. Een zucht van opluchting en geluk.

Buiten scheen de zon op de straten waar Bram die nacht had gelopen. Het park, de regen, de vuilniswagen en de katten leken nu heel ver weg. Maar diep van binnen wist Bram dat hij ze nooit helemaal zou vergeten.

Want die nacht had hij iets geleerd.

Je kunt bang zijn en toch heel dapper.

En als je een vriend hebt voor wie je alles wilt doen, dan kan zelfs een kleine, natte knuffelbeer grote stappen zetten.

back to top