Home » De Klok van Tijdedorp
De Klok van Tijdedorp

De Klok van Tijdedorp

In Tijdedorp staat een enorme klok die de tijd van het hele dorp bepaalt. Wanneer de klok ineens stopt, blijft iedereen stilstaan, behalve de nieuwsgierige jongen Tim. Hij moet door gangen vol tikkende tandwielen reizen om het hart van de klok te vinden en het dorp weer te laten bewegen.

Het verhaal

Hoofdstuk 1: De dag dat alles stilviel

Tijdedorp was een bijzondere plek. Boven op het dorpsplein stond een reusachtige klok, groter dan een huis, met gouden wijzers die glinsterden in de zon. Elke seconde klonk er een zachte tik-tak, zo precies dat iedereen in het dorp er zijn dag op afstemde.
De bakkers begonnen te kneden als de klok zeven sloeg. De schoolklok luidde als de grote klok negen tikte. Zelfs de bloemen in de tuinen leken open te gaan op het ritme van haar geluid.

Tim, een jongen van tien jaar met warrig haar en ogen vol nieuwsgierigheid, hield van die klok. Hij woonde vlakbij en luisterde ’s avonds vaak naar het regelmatige getik voor hij in slaap viel. Zijn vader was de dorpssmid en repareerde soms kleine tandwielen voor de klokkenmaker, meneer Tikkelaar.

Maar op een ochtend werd Tim wakker in een oorverdovende stilte. Geen getik. Geen gezang van vogels. Geen voetstappen op straat. Alleen stilte. Hij sprong uit bed, rende naar het raam en zag iets vreselijks: de wijzers van de grote klok stonden stil, precies op twaalf uur.

“Pap?” riep hij. Geen antwoord.
Hij liep naar beneden en zag zijn vader midden in een beweging bevroren, zijn hand hing boven het aambeeld, de hamer zweefde in de lucht.
Tim voelde zijn hart bonzen. “Wat… wat is er aan de hand?” fluisterde hij.

Buiten stonden de mensen als standbeelden. Een hond hing half in de lucht, zijn oren bevroren in een sprong. De fontein op het plein was veranderd in een muur van stilstaand water.
Alleen Tim kon bewegen.

Hij rende naar de toren. Daar, hoog boven het dorp, stond de grote klok, stil, koud en zonder geluid.

Hoofdstuk 2: De trap van tandwielen

Bij de poort van de kloktoren stond meneer Tikkelaar, of eigenlijk: hij stond niet echt. Hij zat vast midden in een stap, met zijn sleutelbos in de lucht. Tim stapte voorzichtig langs hem heen en opende de zware deur. Ze kraakte als een oude boomtak.

Binnen was het donker en stoffig. De lucht rook naar olie en metaal. Tim pakte een lantaarn van de muur en stak hem aan.
Aan de binnenkant van de toren liep een spiraaltrap omhoog, en overal om hem heen zag hij enorme tandwielen die elkaar normaal zouden aandrijven. Nu stonden ze allemaal stil. Het was alsof hij in de buik van een reus stond die niet meer ademde.

“Er moet iets mis zijn in het hart van de klok,” mompelde Tim. “Misschien kan ik het repareren.”

Hij begon te klimmen. De traptreden kraakten onder zijn voeten. Soms hoorde hij een zacht gerinkel, als van een tandwieltje dat ergens nog natrilde.
Halverwege zag hij iets bewegen. Een klein lichtje fladderde tussen de tandwielen. Tim hield zijn adem in.

“Wie is daar?” vroeg hij.

Het lichtje kwam dichterbij en veranderde in een klein, zwevend wezentje met vleugeltjes van koper en ogen die glansden als glas. “Ik ben Tika,” piepte het. “De bewaker van de klok.”

Tim staarde verbaasd. “Een… klokelfje?”

Tika knikte ernstig. “De tijd is gestopt, jongen. Iets of iemand heeft het Hart van de Tijd gestolen. Zonder dat blijft alles stilstaan.”

“Dan moeten we het terugvinden!” riep Tim vastberaden.
Tika’s ogen glommen. “Durf jij door de gangen van de tijd te reizen?”

Tim slikte, maar knikte. “Ja. Voor Tijdedorp.”

Hoofdstuk 3: De gangen van de tijd

Tika leidde hem naar een ronde deur van brons met een uurwerkpatroon erin gegraveerd. Ze tikte drie keer tegen de deur, en die schoof open met een zucht van oude lucht. Achter de deur lag een tunnel vol draaiende tandwielen, slingerende kettingen en zwevende zakhorloges die zacht gloeiden.

“Stap erdoorheen,” zei Tika. “Maar wees voorzichtig: in de gangen van de tijd kun je verdwalen tussen vroeger en later.”

Tim stapte dapper naar binnen. De vloer leek van glas, en onder hem zag hij flarden van het verleden, kinderen die op het plein speelden, de klok die gebouwd werd, zelfs zichzelf als baby in de armen van zijn moeder.
“Wauw…” fluisterde hij.

Maar het pad veranderde. De tandwielen begonnen te bewegen, langzaam eerst, dan sneller. Tika vloog voor hem uit. “Snel! De Tijdrovers merken dat we hier zijn!”

“Wie zijn dat?” riep Tim, terwijl hij sprong over een bewegend rad.

“Schaduwen die leven van gestolen seconden,” antwoordde Tika. “Ze willen dat de tijd nooit meer stroomt, zodat ze alles kunnen bewaren wat ooit was.”

Plotseling doemde een figuur op: een lange, donkere gedaante met een klokmasker. Zijn stem klonk als krakend metaal. “Kleine indringer… de tijd is niet van jou.”

Tim voelde een koude rilling. “Ik geef niet op!” riep hij. Hij pakte een los tandwieltje van de grond en gooide het, precies tegen de borst van de schaduw. De figuur viel uiteen in stof.

Tika glimlachte trots. “Goed gedaan. Maar er komen er meer. Het hart ligt verderop, in de Kamer van de Stilte.”

Hoofdstuk 4: De Kamer van de Stilte

De tunnel eindigde in een ronde zaal, verlicht door een groot zwevend uurwerk dat geen wijzers had. In het midden lag een glazen doos, en daarin een kristal dat zacht pulserend licht gaf.

“Dat is het Hart van de Tijd,” fluisterde Tika. “Maar kijk uit, het is bewaakt.”

Rond de doos stonden drie schaduwen, donkerder dan de nacht. Ze draaiden langzaam rond, als rook die ademde.
Tim keek om zich heen en zag dat de muren vol kleine klokken hingen, allemaal stil. “Als ik ze aan het tikken krijg,” dacht hij hardop, “misschien kan ik de schaduwen afleiden.”

Hij haalde de sleutelbos van meneer Tikkelaar uit zijn zak, hij had die onderweg meegenomen — en begon klokken te openen, op te winden, tandwielen recht te zetten. Eén voor één begonnen ze zacht te tikken.
De schaduwen krompen achteruit, alsof het geluid hen pijn deed.

“Ja!” riep Tim. “Ze haten het getik!”

Tika vloog naar het kristal en hief haar hand. “Tim, raak het hart aan. Alleen een levend mens kan de tijd weer laten stromen.”

Tim stapte naar voren, zijn hand trilde een beetje. Net toen hij het kristal aanraakte, stormde de grootste schaduw op hem af. “Nee!” gromde ze. “Laat het stil zijn voor eeuwig!”

Tim kneep zijn ogen dicht en raakte het hart aan. Een felle lichtflits vulde de kamer. Alles werd wit.

Hoofdstuk 5: Het ritme van de tijd

Toen Tim zijn ogen opendeed, stond hij weer op het dorpsplein. De klok tikte. De fontein spatte. De vogels zongen. De mensen bewogen alsof er niets was gebeurd.

Zijn vader keek op van het aambeeld. “Tim, wat doe je daar zo buiten adem? Je bent nog nooit zo snel uit bed gekomen!”

Tim keek omhoog naar de klok. De wijzers bewogen weer soepel, het geluid van tik-tak vulde de lucht. Alleen Tika was nog bij hem, een klein lichtje dat even om hem heen fladderde. “Goed gedaan, Tim,” fluisterde ze. “De tijd dankt je.”

Hij glimlachte. “Zal iemand me geloven?”

“Misschien niet,” antwoordde Tika. “Maar jij weet het, en dat is genoeg.”
Ze tikte zacht tegen zijn neus, en toen verdween ze in een flits van koperlicht.

Sinds die dag luisterde Tim anders naar het getik van de klok.
Hij hoorde er iets in wat hij vroeger niet hoorde, een ritme dat zei: Elke seconde telt. Verspil ze niet, gebruik ze goed.

En soms, als hij ’s avonds in bed lag en de klok zacht hoorde tikken, leek hij heel in de verte Tika’s stem te horen fluisteren:
“Zolang jij beweegt, zal Tijdedorp blijven leven.”

back to top