In de appelboomgaard van opa vindt Sam een oud klokhuis dat verandert in een magisch kompas. Het wijst naar plekken waar iemand hulp nodig heeft. Samen met zijn hondje Pompom beleeft hij elke dag een klein avontuur vol verrassingen en goede daden.
Het verhaal
Hoofdstuk 1: De appel en het geheim
Sam hield van de appelboomgaard van zijn opa. In de zomer rook het er naar zon en fruit, en in de herfst lagen de appels als rode schatten tussen het gras. Opa zei altijd: “Elke appelboom heeft z’n geheim.” Sam dacht dat hij dat gewoon zei om het spannend te maken. Maar op een gewone woensdagmiddag veranderde alles.
Sam liep met zijn hondje Pompom tussen de bomen. Hij bukte om een glanzende rode appel op te rapen toen hij iets hards voelde onder zijn voet. Het was geen steen. Hij groef wat in de aarde en haalde een rond, bruin voorwerp omhoog.
Het was een klokhuis. Maar geen gewone. Het leek van hout, met blinkende nerven, en er zat een wijzertje op, zoals bij een kompas. In het midden glansde een pit als een edelsteen. Sam staarde ernaar.
Plotseling draaide het wijzertje! Pompom blafte. Het pijltje wees naar het noorden. Sam voelde zijn hart bonzen. “Wat is dit?” fluisterde hij.
Opa kwam net aanlopen met een mand appels. Toen hij het klokhuis zag, hield hij stil. “Wel… dat is lang geleden,” mompelde hij. “Dat is het Klokhuis Kompas.”
Sam keek op. “Wat doet het?”
Opa glimlachte geheimzinnig. “Het wijst naar plekken waar iemand hulp nodig heeft. Maar let op jongen, wie het gebruikt, moet klaar zijn om goede daden te doen.”
Sam kneep het kompas stevig vast. Pompom kwispelde.
“Dan zijn wij er klaar voor.”
Hoofdstuk 2: De huilende windmolen
Het pijltje van het Klokhuis Kompas bleef wijzen. Sam en Pompom volgden het, door een smal paadje vol gevallen bladeren, tot ze bij een oude windmolen kwamen. De wieken draaiden langzaam, hoewel er nauwelijks wind was.
“Hoort u dat?” vroeg Sam zacht. Er klonk een zacht gejammer, alsof de windmolen huilde.
Ze liepen naar binnen. In de schaduw van het molenhuis zat een meisje met blonde vlechten op een houten krat. Ze keek op toen Sam binnenkwam.
“Ik ben Sam. Dit is Pompom.”
“Ik heet Noor,” zei het meisje snikkend. “Mijn konijn, Moppie, is weg. Hij is gisteren ontsnapt… En hij is zó bang in het donker.”
Sam voelde het kompas warm worden in zijn hand. Hij keek naar Pompom. “We helpen haar.”
Ze speurden rond de molen. Pompom snuffelde onder een trap, tussen de zakken meel, en toen… begon hij wild te blaffen bij een hoop hooi. Sam duwde het hooi opzij en daar zat een bibberend wit konijntje.
“Moppie!” riep Noor, terwijl ze hem in haar armen sloot. Haar gezicht straalde.
Het klokhuis draaide zacht in Sams zak. Een zachte tik-tik, alsof het “goed gedaan” zei.
Hoofdstuk 3: De brug van verdwenen kleuren
De volgende ochtend stond Sam al vroeg op. Het klokhuis trilde zacht in zijn hand en het pijltje draaide naar het oosten. Pompom sprong opgewonden op en neer.
Ze volgden het pad langs het beekje en kwamen bij een brug. Maar niet zomaar een brug. Alles erop was grijs. Geen kleur te zien, de planken, de bloemen ernaast, zelfs de lucht erboven leek dof.
Een oude vrouw zat op de leuning van de brug en zuchtte diep.
“Wat is er gebeurd?” vroeg Sam voorzichtig.
“Vroeger was deze brug de Kleurenbrug,” zei de vrouw. “Kinderen lachten hier. Mensen zongen er liedjes. Maar nu… is alles saai geworden. Niemand speelt hier meer.”
Sam dacht na. Hij haalde uit zijn tas een doos stoepkrijt die hij altijd bij zich droeg. “Wat als we het samen terugbrengen?”
Hij, Pompom en de vrouw begonnen te tekenen. Grote zonnen, regenbogen, bloemen en vlinders verschenen op de brug. Pompom stempelde pootafdrukken in blauw en groen.
Toen de laatste zonnestraal het krijt raakte, gebeurde het: de brug begon te glanzen. De kleuren kwamen terug, feller dan ooit. Zelfs de bloemen bloeiden op.
De oude vrouw lachte en klapte in haar handen. “Jullie hebben de brug weer laten dromen!”
Sam keek naar het klokhuis. Het gaf een zachte gloed af.
Hoofdstuk 4: Het huis met het gesloten hek
Een paar dagen later wees het klokhuis kompas naar een oud huis aan de rand van het dorp. Een hoog hek hield iedereen buiten. Pompom piepte, alsof hij voelde dat er iets niet klopte.
Een jongetje stond achter het hek. Zijn gezichtje zat vol sproeten en verdriet.
“Waarom kom je niet buiten spelen?” vroeg Sam.
“Ik mag het hek niet openmaken,” zei hij zacht. “Mijn ouders zijn vaak weg. Ze zijn bang dat ik verdwijn, net als mijn broer.”
Sam knikte. “Dat klinkt eenzaam.”
De jongen knikte. “Ik heet Bram.”
“Zullen we samen iets doen?” vroeg Sam. “Zodat jij binnen het hek kan spelen, maar toch contact hebt met buiten?”
Ze maakten een brievenlijn: een touw met knijpers, van de poort tot aan het hek. Elk kind uit de buurt kon er een brief of tekening aan hangen voor Bram, en Bram kon terugschrijven.
De volgende ochtend hingen er al drie tekeningen en een chocoladereep in een zakje. Bram straalde. “Ik hoor er weer bij,” fluisterde hij.
Het klokhuis begon te spinnen van vreugde. Een nieuwe goede daad voltooid.
Hoofdstuk 5: Een appelboom vol verhalen
Op een herfstige namiddag zaten Sam en Pompom onder de appelboom waar het allemaal begonnen was. Het klokhuis lag warm in zijn hand. Het trilde, maar het pijltje draaide niet meer.
“Misschien… is het klaar voor vandaag,” zei Sam.
Opa kwam erbij zitten en gaf hen warme appelsap. “Vertel eens, wat heeft het klokhuis je vandaag geleerd?”
Sam dacht even na. “Dat helpen niet groot hoeft te zijn. Soms is een tekening of een knuffel al genoeg.”
Opa glimlachte. “Precies.”
Pompom gromde zacht en legde zijn kop op Sam’s schoot. De zon zakte langzaam achter de appelbomen, en het klokhuis gaf nog één keer een zachte tik… alsof het knikte.
Misschien zou het morgen weer trillen. Misschien niet.
Maar één ding wist Sam zeker: zolang het klokhuis kompas bestond, zou hij blijven helpen — stap voor stap, hart na hart.